Zandhagedis (Lacerta agilis)

De zandhagedis komt in Nederland voornamelijk voor op heideterreinen van de hogere zandgronden in het oosten, zuiden en midden van ons land en in de duinen ten noorden van Zeeland. Het is een leuke en verrassende verschijning als je er een op je wandeltocht door de duinen, tegen komt. Toch is hij niet kieskeurig in de keuze van z'n leefgebied. Zo treffen we ze ook aan op spoordijken en in de directe omgeving van woningen.

In de duinen

De zandhagedis kan maximaal 22 cm lang worden waarvan 55 tot 60% voor rekening van z'n staart komt. Het mannetje heeft grasgroene gevlekte flanken terwijl het vrouwtje onopvallend bruin is. De tekening van de vlekjes en streepjes is bij elk individu anders en daardoor zijn de hagedissen, in de duinen, van elkaar te onderscheiden.

Oren en ogen

Als de zandhagedis op jacht is of lekker in de zon ligt op te warmen dan is hij voortdurend gespitst op geluiden en bewegingen in zijn directe omgeving. Als jager heeft hij een uitstekend gezichtsvermogen en ziet z'n prooi en belagers vaak al op ruime afstand aankomen. Ook kan hij, net als slangen dat doen, met z'n gespleten tong, de omgevingslucht proeven (ruiken). Verder kan de hagedis goed horen en komt dan ook vaak, uit nieuwsgierigheid, af op geritsel van andere hagedissen.

Tanden en klauwen

Als jager heeft de hagedis tanden. Deze tanden zijn vlijmscherp maar kunnen niet door de menselijke huid heen dringen, daar zijn ze te klein voor. Insecten, het hoofd menu van de hagedis, hebben vaak chitine pantsers, de scherpe tanden hebben goed grip op dit gladde oppervlak.

Met hun klauwen graven ze holen en kunnen ze goed klimmen. Als het gras te hoog wordt om op de grond nog lekker te kunnen zonnen klimmen ze in kleine struikjes om zo weer lekker in de zon te kunnen hangen.

Houden niet van gezelligheid

Hagedissen leven solitair of in paartjes. Het territorium dat ze bezitten, waar ze jagen, overwinteren en hun eieren leggen, bevechten ze tot het uiterste. In de paartijd zwerven solitaire mannetjes rond op zoek naar beschikbare vrouwtjes. Als ze dan een ander mannetje tegen komen dan wordt en flink gevochten. Ze bijten elkaar in de kop waardoor er krassen en breuken ontstaan ik hun pantserschildjes op de kop. Een mannetjes met veel schade op de kop is dan ook vaak een wat ouder exemplaar.

Hagedisjes

Het vrouwtje van de Zandhagedis legt, vroeg in de zomer, 5 tot 15 eieren enkele centimeters onder de grond, op een zandige warme zuidhelling van een duin. Zonnewarmte broedt in 5 weken de eieren uit waarna de nietige jonge hagedisjes direct op eigen benen moeten staan en de wereld gaan verkennen op zoek naar een eigen territorium en een partner.

Jagers

Hermelijn, bunzing, vos en torenvalk maken jacht op hagedissen. Daarom is hij altijd zo alert op z'n omgeving en hoor je als wandelaar vaak alleen een "ritsel" als hij, vanaf z'n zonplaats, de dekking van een duindoornstruik op zoekt.

Hagedissen tellen

De ontwikkelingen in het aantal hagedissen dat leeft in de duinen wordt op de voet gevolgd. Diverse tellers lopen in het zomer seizoen een vaste route door het duingebied en tellen de hagedissen die ze zien. Ritsels mogen niet geteld worden omdat het niet zeker is dat het een hagedis is geweest. De gevens worden verzameld en verwerkt door het RAVON. Deze organisatie houd in de gaten of  het aantal hagedissen voortuit of achteruit gaat in bepaalde delen van Nedeland.

Viervoeters

In de duinen van Meijendel, Berkheide en Solleveld lopen koeien en paarden te grazen met als doel het terug dringen en kort houden van de al maar oprukkende struwelen en vergrassing. Deze viervoeters moeten in staat zijn de vergrassing van de duinen tegen te gaan. Paarden en koeien trappen met de hoeven, zeker op hellingen, de bodem los. Daarmee zorgen ze voor meer dynamiek omdat het losse zand zich kan verplaatsen. Dit losse zand heeft de zandhagedis weer nodig om z'n eieren in te leggen en te zonnen.

Verder zorgen de grazers voor een divers en open vegetatie waar veel prooidieren (insecten) in leven.