Konijnen

Is het de grootte of de zachte vacht? Of zijn het de grote ogen? Ze zien er schattig uit. Maar schijn bedriegt. Ze lijken dan wel zachtaardig, maar een wild konijn kan aardig bijten. En aan de achterpoten zitten scherpe nagels. Hoe gaat het nu eigenlijk met de konijnen in de duinen? Zijn ze er nog wel? Wat is hun rol bij de ontwikkeling van de duinen. Kijk en lees verder naar een voor de duinen zo belangrijk dier dat het de laatste jaren erg moeilijk heeft om te overleven.

In de duinen

Konijnen worden 35 tot 45 cm lang. De vacht is meerkleurig grijsbruin. Af en toe loopt er van nature weleens een hele zwarte tussen. Ze zijn altijd op hun hoede.

Oren en ogen

Met de grote ogen opzij van de kop kunnen ze zelfs gevaar van boven en schuin achter onderscheiden. De oren helpen mee. Die staan meestal rechtop en draaien dan rond. In rust liggen ze langs het lichaam. Ook de neus is constant in beweging. Reuk is belangrijk. Konijnen snuffelen aan elkaar als herkenning. Rond de neus staan lange snorharen. Zo weten ze waar ze de neus insteken en kunnen ze in donkere gangen toch hun weg vinden.

Tanden

Konijnen zijn planteneters. Ze eten alle delen van planten. Van groen blad, de bast van stengels en takken tot aan de wortels. Voor het knagen hebben ze in de bovenkaak vier snijtanden. Twee grote tanden, die het hele leven doorgroeien en twee kleintjes erachter. Hoektanden ontbreken. Van tijd tot tijd komen zachte keutels tevoorschijn die het konijn dan weer opeet. In het duin liggen vaak op vaste plaatsen, de zogenoemde latrines, de bekende harde keutels.

Houden van gezelligheid

Konijnen leven in een familieverband. Met keutelplaatsen en geuren markeren konijnen het familieterritorium. Op den duur graaft een groep een uitgebreid stelsel gangen en holen uit met meerdere ingangen. Ze verblijven een deel van de dag onder de grond. Konijnen alarmeren elkaar door met de achterpoten te trommelen. Als ze achter elkaar aan rennen is het witte staartje een baken. Vooral als ze uit het hol komen, zijn ze op hun hoede.

Konijnen zijn vooral schemeringsdieren. Dan gaan ze eten. Als het stil is of koud – bijvoorbeeld in de winter - zijn ze meer op de dag te zien.

Haasje over

Konijnen zetten bij het lopen eerst de voorpoten neer en dan springen ze met de twee achterpoten er voorbij. Bij rustig lopen komen de achterpoten met de hele voet op de grond, bij rennen zijn dat alleen de tenen van de achterpoten. Tussen de tenen zitten veel haren. Dat is belangrijk bij graven in het zand.

Blindelings

Konijnen worden kaal en blind geboren. Een vrouwtje kan per worp 2 tot 7 jongen krijgen. Het baren gebeurt meestal in het grote gangenstelsel. De baarplaats noemen we ook wel wentels genoemd. Deze plek wordt bekleed met droog gras en haar dat de moeder uit haar eigen vacht trekt. De jonge konijnen krijgen eenmaal per dag kort de kans bij moeder te drinken. Als de moeder de wentel verlaat, sluit ze die af met zand.

Per jaar zijn 5 tot 6 worpen mogelijk. Als er weinig voedsel is, stopt de ontwikkeling van de jongen al in het moederdier. Binnen een groep krijgt dan alleen het sterkste vrouwtje jongen. Jaarlijks brengt een vrouwtje gemiddeld niet meer dan 10 tot 20 jongen groot. Van de jongen overleeft maar een klein deel het eerste jaar.

Zaaiden tweedracht

Het konijn is door de Romeinen West - Europa binnengebracht. Het dier had lekker vlees en bleek makkelijk in grote aantallen te kweken. De vele worpen per jaar met meerdere jongen maken dat duidelijk. Het leidde tot het inrichten van konijnenfarms, ook wel leprorariën of warandes genoemd. Konijnen ontsnapten en verspreidden zich. Het duingebied bleek een geschikte plaats voor ze.

Beschermen…

De bewoners van de kust hadden een tweeslachtige houding ten opzichte van het konijn. Vanuit het belang van de jacht en het gebruik als vlees en als bont was het standpunt: konijnen beschermen. Zo mochten honden vroeger alleen met een blok aan de poot of met een deels geamputeerde poot het duin in. De mogelijkheden voor het konijn werden vanaf 1400 nog vergroot door allerlei dieren die het op konijnen gemunt hadden weg te vangen of te doden. Dit heeft er zeker aan bijgedragen dat het aantal konijnen fors toenam.

Bestrijden

Doordat de konijnen het aangeplante helmgras opaten, maar ook vanwege de plannen voor schapenteelt in de duinen, waren ze niet langer gewenst. Men stapte dan ook over van bescherming naar bestrijding van de konijnen. In 1600 werd zelfs over het depopuleren van de duinen gepraat. Waar helmgras werd geplant, vond intensieve konijnenbestrijding plaats. Wentels met jonge konijnen werden uitgegraven. Holen werden met fretten leeggevangen. Zelfs met klemmen werd op konijnen gejaagd. Zo ving men jaarlijks grote aantallen konijnen. Ook het stropen met strikken was zeker in de kuststrook populair als aardige bijverdienste.

Uiteindelijk hebben mens en konijn met elkaar leren leven. Om de schade aan de aanplant van helmgrasin de zeereep te vermijden, zijn de konijnen daar nog lange tijd afgeschoten.

Knagen en graven

Toen er nog veel konijnen in het duin rond liepen was hun invloed door het grazen en graven groot. Zelfs natuurliefhebbers als Jac. P. Thijsse zagen het konijn als een bedreiging. In zijn boekje over de duinen staan uitspraken als: ‘Voor rijk begroeide duinen moeten de konijnen worden uitgeroeid' en ‘de duinen hebben van de konijnen niets dan schade'. Een aantal zeldzame planten, zoals onder andere orchideeën, zijn voor konijnen aantrekkelijk.

Laat maar stuiven

Tegenwoordig is er een andere houding ten opzichte van het konijn. Het belang van een gezonde konijnenstand voor de plantengroei in de duinen wordt nu algemeen erkend. De laatste paar jaren komen er veel struiken en bomen op. Vroeger werden die vaak in de winter door konijnen opgegeten. Nu leidt dit tot het versneld dichtgroeien van het kenmerkende open duingebied. Voor de duinen is het van belang dat een deel door verstuiving in beweging blijft. Het graven van holen gaf de wind de kans een gat verder uit te blazen.

Bergeend, steenuil en tapuit broeden in oude Konijnenholen. De tapuit gaat helaas in aantal achteruit maar dat komt waarschijnlijk niet door het ontbreken van broedgelegenheid.

Belaagd en bejaagd

Myxomatose is als ziekte een belangrijke doodsoorzaak bij konijnen. De ziekte komt van nature onder konijnen in Zuid-Amerika voor. Door de import van konijnen ontstond in Australië een konijnenplaag. Als bestrijding werd de ziekte er heen gebracht. Konijnen stierven massaal. Iemand in Frankrijk bracht myxomatose naar zijn landgoed. Het virus verspreidde zich vervolgens over Europa. Vooral de konijnenvlo brengt de ziekte over. Een ziek konijn raakt blind en sterft na enkele weken van uitputting.

Tussen 1960 en 1970 stierven in het duin duizenden konijnen. Het leek er op dat er geen konijn meer zou overblijven. Nu is een deel van de konijnen niet meer vatbaar voor de ziekte.

Na Myxomatose is er nu ook VHS

VHS (Viral Haemorrhagic Syndrom) is een nieuw virus. De herkomst is niet helemaal duidelijk. Tien jaar geleden zag men de eerste gevallen in Meijendel. Het ziektebeeld is minder ingrijpend dan bij Myxomatose. VHS heeft geen lijdensweg van weken tot gevolg. De lever wordt aangetast en er ontstaan inwendige bloedingen. Een besmet dier sterft al na een paar uur of hooguit een paar dagen. Beide ziekten zijn nu belangrijke doodsoorzaken. Een konijn kan echter nog andere ziekten krijgen of last hebben van parasieten of roofdieren.

Jagers

Hermelijn, bunzing en vos maken jacht op konijnen. Voor vossen in het duin vormen konijnen meer dan 80% van het dagelijks menu. Een vos eet gemiddeld bijna één konijn per twee dagen. Ook een havik vangt volwassen konijnen. Jonge konijnen zijn in trek bij kleinere roofdieren zoals de wezel en bijvoorbeeld de bosuil. Dode en zieke exemplaren zijn voedsel voor onder andere eksters en andere kraaiachtigen. Toen de vos in de tachtiger jaren terugkwam in de duinen gingen bunzing en hermelijn in aantal achteruit. Op dit moment is er een toename van het aantal roofvogels. Zo lijkt de kans dat het konijn weer op het niveau van voor 1950 komt klein.

Terug bij af?

Werd stuivend duin veroorzaakt door het konijn? Het is bij de konijnen af, is nog steeds een uitdrukking voor iemand met veel kinderen. 5 tot 6 worpen per jaar met 2 tot 7 jongen spreken tot de verbeelding. Zodra er minder eten is, komt een groot deel van de jongen niet ter wereld. Door de eeuwen heen heeft vooral de mens het lot van het konijn bepaald. Soms positief door vijanden op te ruimen maar vaker negatief. Soms was dat onbedoeld. Maar zonder menselijk ingrijpen was myxomatose niet snel naar Europa gekomen. Vanwege de grote invloed van het konijn is er nu volop aandacht voor het dier.

Konijnen tellen

De ontwikkelingen in het aantal konijnen dat leeft in de duinen wordt op de voet gevolgd. Al bijna 20 jaar worden ze er geteld. Langs vaste routes kijkt men in de schemering vanuit een auto naar het aantal konijnen dat met het koplamplicht te zien is. Dit gebeurt zowel in het voorjaar als in het najaar gedurende een aantal avonden achter elkaar. De resultaten van de tellingen stemmen niet hoopvol. Nog steeds daalt ieder jaar het aantal waargenomen dieren.

Waar is de blanke top?

Het gevolg van minder konijn lijkt meer groen. Geen blanke top der duinen meer. Dit is overigens niet alleen het gevolg van minder grazen en graven door konijnen. Het houdt ook verband met de grote hoeveelheid meststoffen die het regenwater tegenwoordig bevat. Plaatsen waar alleen hoge grassen staan met veel dood blad zijn voor konijnen minder aantrekkelijk.

Een handje helpen?

Het ziet er niet naar uit dat het aantal konijnen binnenkort weer snel toeneemt. Gevolgen van ziekten als myxomatose en het VHS-virus verminderen alleen door vaccineren of door introductie resistente konijnen. Het duurt jaren voordat konijnen op natuurlijke wijze bestand raken tegen deze ziekten. Door het opruimen van zieke en dode dieren door roofdieren en aaseters neemt de besmettingskans wel af.

Grazen

De invloed van de begrazing door konijnen is belangrijk voor de duinen. De vraag is welke andere dieren de rol van het konijn kunnen overnemen. Het mooiste is als dit dieren zijn die al van nature in het duin voorkomen of voorkwamen. Er lopen de laatste jaren weer reeën in Meijendel. Een ree knabbelt vooral. Ze nemen hier en daar een lekker hapje. Reeën hebben dus een heel ander effect op de omgeving dan een grote groep konijnen. Insecten, zoals rupsen eten veel blad, maar dat is meestal maar één bepaalde plant. Ze kunnen die wel kaal eten.

Viervoeters

Het nu voedselrijke regenwater zorgt er voor dat hoge grassen, zoals duinriet beter groeien. Het zijn vooral paarden die het dikke tapijt van dood blad eten. Jong, groen gras en riet zijn goed voer voor runderen. Paarden en runderen samen moeten dus in staat worden geacht de vergrassing van de duinen tegen te gaan. Paarden en koeien trappen met de hoeven zeker op hellingen de bodem los. Daarmee zorgen ze voor meer dynamiek omdat het losse zand zich kan verplaatsen. Dat vertrappen lijkt zo op het her en der graven door konijnen. Het effect is wel anders. Plaatselijk wordt voor het beheer en behoud van bepaalde planten de maaimachine ingezet. Voor groepen grote natuurlijke grazers als edelherten, elanden en wisenten is ons duingebied te klein.